Foto: argyf Afûk

Nieuwe sprekers van het Fries spreken de taal maar zelden

Minority languages Over het Fries
18 augustus 2022
Mensen die op latere leeftijd het Fries hebben geleerd, gebruiken de taal maar "zeer sporadisch". Het lijkt zeer waarschijnlijk dat ze zich minder op hun gemak voelen om de taal te gebruiken in bijzijn van natuurlijke sprekers. Dat is een van de uitkomsten van een onderzoek naar nieuwe sprekers van het Fries. Onderzoekers Ruth Kircher (Mercator/Fryske Akademy) , Mirjam Vellinga (Afûk) en Ethan Kutlu (University of Iowa) hebben aan 264 deelnemers een vragenlijst voorgelegd.

De deelnemers zijn niet opgegroeid met het Fries, maar hebben de taal aan de hand van een cursus geleerd. De ingezamelde data tonen aan dat als de deelnemers Fries spreken, dat dat voornamelijk in onderwijssituaties is. Als de nieuwe sprekers van het Fries een gesprek voeren met mensen met het Fries als moedertaal, dan komen ze vaak niet verder dan enkele oppervlakkige woorden of zinnen. En dat terwijl die nieuwe sprekers wel nodig zijn, zegt onderzoekster Mirjam Vellinga. “Vooral als ze hier blijven wonen, een sociaal leven opbouwen en kinderen krijgen. Het is een belangrijke groep als het gaat om het behoud van de Friese taal.”

Ongemak
Volgens de onderzoekers voelen nieuwe sprekers zich minder op hun gemak bij het gebruik van het Fries met mensen waarvan het Fries hun moedertaal is dan met andere sprekers. De onderzoekers geven aan dat er wel meer onderzoek nodig is om dat echt vast te stellen. “Waardoor voelen mensen zich nou zo ongemakkelijk”, vraagt Vellinga zich af. “Daar willen we meer over te weten komen.”

Het onderzoek is onderdeel van het project ‘New Speakers of West Frisian‘. Het doel van het onderzoek is om uit te zoeken wanneer, waar en met wie nieuwe sprekers het Fries gebruiken, welke variabelen invloed hebben op het gebruik van de taal en wat de rol van de natuurlijke sprekers daarbij is. Het ongemak van nieuwe sprekers om het Fries te gebruiken, is slecht om het Fries vitaal te houden, stellen de onderzoekers. Originele sprekers schakelen snel over van taal, ze verbeteren fouten van nieuwe sprekers en lachen om het aangeleerde Fries. Eerder onderzoek toont aan dat zulke reacties zorgen dat nieuwe sprekers zich “gekleineerd” en teleurgesteld voelen en zich schamen. Daarnaast loopt het zelfvertrouwen ook terug.

“Nieuwe sprekers moeten over de drempel”, zegt Vellinga. “Dat is altijd zo als je een nieuwe taal spreekt. Het is ook wennen om andere klanken te spreken.” Er speelt meer mee. “Het is zeer makkelijk om terug te vallen op het Nederlands. Dat doen moedertaalsprekers ook, terwijl je als nieuwe spreker met je goede gedrag Fries probeert te spreken.” Dat terwijl het overgaan naar een andere taal ook kan worden gezien als hoffelijkheid: mensen hebben het gevoel dat het onfatsoenlijk is om de minderheidstaal (het Fries in dit geval) als er mensen zijn die dat minder of niet goed verstaan.

Doorzettingsvermogen
Vellinga; “Je moet het er er bijna altijd even over hebben. Als nieuwe spreker moet je ontzettend vaak aangeven dat je het juist leren en wilt gebruiken. Daar heb je niet altijd zin in.” Het vereist dus ook doorzettingsvermogen van de nieuwe sprekers. “Helemaal als je allebei ook een andere taal spreekt die jullie beiden prima begrijpen en spreken, zoals het Nederlands”.

In het geval dat nieuwe sprekers de taal wel gebruikten, was dat onder andere met buren, in winkels, met familieleden en in de sportschool. Veel respondenten gaven aan dat het gaat om “een woordje” of “een paar zinnen”.

Taalkundige onzekerheid
Volgens de onderzoekers kan dat worden verklaard door ‘taalkundige onzekerheid’. Dat kwam ook naar voren uit antwoorden zoals “Ik heb het Fries geleerd om het te kunnen spreken, maar ik doe het nooit, want ik durf het niet.” Iemand anders legde uit dat hij zich niet op zijn gemak voelde met het praten van het Fries: “Ik zou meer Fries willen spreken, maar ik merk dat ik me daar niet prettig bij voel, onzeker. Bang om gecorrigeerd te worden.”

De situatie is vergelijkbaar met mensen die Nederlands willen leren. Die ervaren vaak dat Nederlanders overschakelen op het Engels, omdat dat prettiger spreekt en omdat ze het geduld niet hebben. “Ik heb hier kennissen uit Amerika wonen”, zegt Vellinga. “Zij spreekt altijd Nederlands, maar hij krijgt negen van de tien keer Engels terug, tot zijn grote frustratie.”

“Dat zoiets gebeurt, is omdat we in Fryslân wonen en het in Nederland niet gewend zijn om een tweetalig gesprek te voeren, waarbij de één taal A en de ander taal B spreekt: ik probeer het regelmatiger te doen. Als je dat vaker doet, voelt het ook minder ongemakkelijk. Het is een kwestie van oefenen, omdat we ons snel aanpassen aan de taal van de ander.”

De originele sprekers van de taal spelen juist een belangrijke rol bij de mogelijke motivatie van nieuwe sprekers. Het aanmoedigen van nieuwe sprekers om door te zetten, werkt vaak het beste, vooral omdat de traditionele sprekers daarmee laten weten dat ze ook graag willen dat er nieuwe sprekers van de taal komen.

De onderzoekers zijn nog niet klaar met het onderwerp. De volgende stap is om verschillen aan te kaarten tussen mensen die de taal willen leren te spreken en mensen die het alleen willen begrijpen.

Bron: Omrop Fryslân, interview door Sybrand Grasdijk